9 min read

Nieuwe internationale afspraken moeten platformwerk toekomstbestendig(er) maken

Nieuwe internationale afspraken moeten platformwerk toekomstbestendig(er) maken
Delivery rider in Kathmandu, Nepal (Martijn Arets)

Van 1 tot en met 12 juni komen vertegenwoordigers van werkenden, platformbedrijven en overheden van over heel de wereld bijeen in Genève om bij de International Labour Organisation (ILO) om in gesprek te gaan over een internationale ‘ILO Platformwork Convention’. Een unieke gebeurtenis waar de belangen van alle werkenden in de arbeidsmarkt worden besproken. In deze blog blik ik vanuit een internationaal perspectief vooruit op wat er besproken gaat worden en wat er op het spel staat.

Platformbedrijven zijn voor tussen de 154 miljoen (voltijd) en 435 miljoen (voltijd en deeltijd) mensen wereldwijd op dagelijkse basis de toegangspoort naar werk. In 2022 werd het aantal platformwerkers in Europa geschat op 28 miljoen, met de voorspelling dat dit aantal in 2025 zou zijn gestegen naar 43 miljoen. Hoewel exacte cijfers ontbreken en ook sterk afhankelijk is van een gebruikte definitie, is men het erover eens dat het aantal mensen dat gebruik maakt van de diensten van online platformbedrijven voor toegang tot werk groeit.

Bekend geworden in sectoren als maaltijdbezorging en taxi is er intussen geen sector waar online werkplatformen niet actief zijn. De platformeconomie wordt daarnaast ook wel de kraam- en experimenteerkamer van technologie op de arbeidsmarkt genoemd, wat aangeeft de impact van wat er gebeurt in de platformeconomie en de manier waarop deze wordt vormgegeven gevolgen heeft voor de gehele arbeidsmarkt.

Hoewel platformwerk vaak vanuit een lokale, nationale of continentale context wordt bekeken, is het op veel vlakken ook een globaal fenomeen. Platformbedrijven opereren vaak internationaal en in het geval van online werk bevinden vraag naar en aanbod van werk zich vaak in andere landen, en in veel gevallen op andere continenten. Daarnaast houden platformbedrijven elkaar goed in de gaten, waardoor een werkwijze of businessmodel in één land ook snel in andere landen voet aan de grond kan krijgen. Het maken van afspraken over platformwerk op globaal niveau afspraken is deze en volgende week onderwerp van de 114e International Labour Conference in Genève. Hier komen vertegenwoordigers van werkenden, werkgevers (de platformbedrijven) en overheden samen om afspraken te maken voor de ‘Platformwork Convention’.

Een historisch moment

Het gegeven dat platformwerk in Geneve zo prominent op de agenda staat is historisch te noemen om verschillende redenen. Platformen faciliteren sectoren die ook voor de opkomst van de platformeconomie bekend stonden om de precaire omstandigheden van werkenden. Denk aan maaltijdbezorging, (thuis)schoonmaak, oppas en niet locatie gebonden werk dat werd uitbesteed aan landen als India, de Filipijnen, Kenia en Mexico. Sectoren, veelal opererend in de informele markt, waarvan iedereen wist dat de omstandigheden voor werkenden vaak slecht waren. En die onder andere door het onzichtbare (gefragmenteerde) karakter van de markt en de lage organisatiegraad ervoor zorgden dat overheden en vertegenwoordigers het zich konden permitteren deze groep werkenden in veel gevallen links te laten liggen. Onzichtbaarheid zorgde voor een gebrek aan politieke noodzaak om actie te ondernemen. Platformbedrijven controleren deze markten als spil tussen een gefragmenteerde groep aanbieders (werkenden) en afnemers (klanten), wat zorgt voor een groei van de markt, maar ook een groeiende eenzijdige afhankelijkheid en beïnvloeding door technologie. De zichtbaarheid van deze bedrijven en de groeiende afhankelijkheid van de werkenden zorgde ervoor dat sectoren die jarenlang werden genegeerd opeens wél in de spotlight staan. Dat de toekomst van deze sectoren op internationaal niveau op de agenda staan is, als je het mij vraagt, historisch te noemen.

Historisch ook omdat het proces naar de conventie, leest hier de ‘draft tekst’ die het startpunt vormt van de onderhandeling, ervoor heeft gezorgd dat vertegenwoordigers van werkenden wereldwijd elkaar de afgelopen jaren hebben gevonden om gezamenlijk een agenda te maken. Zo publiceerde een wereldwijde coalitie van meer dan 30 werknemersorganisaties, vakbonden en maatschappelijke organisaties een gezamenlijke verklaring in aanloop naar de ILC en ontstond vorig jaar het ‘Global Platform Workers Solidarity Project (GPWSP)’ een “netwerk van grassroots-organisaties voor platformwerkers uit meer dan 27 landen, dat wordt gesteund door investeerders, maatschappelijke organisaties en onderzoekers”. Ik heb nog niet eerder gezien dat vertegenwoordigers van werkenden op deze manier sector, land en organisatie overstijgend samenwerken.

En als laatst is de discussie in Genève misschien ook wel historisch complex. Complex omdat vertegenwoordigers van werkenden en bedrijven het ondanks de grote tegenstelling in belangen het op sommige punten met elkaar eens moeten worden. En complex omdat de inrichting van platformwerk vaak afhankelijk is van de sector en de institutionele omgeving waarin het opereert. En wat er uit Genève komt ook nationaal en sectoraal moet worden door vertaald. Dit lijkt misschien een onmogelijke opgave, maar naar mijn mening is dit de enige weg: internationale kaders zetten en vervolgens nationaal door vertalen.

Hoe platformbedrijven de arbeidsmarkt veranderden

Platformwerk is onder te verdelen in zowel locatie gebonden als niet-locatie gebonden werk, waarbij unieke of generieke skills worden gevraagd en technologie een lage of hoge mate van invloed heeft op toegang, invulling, sturing, prijsstelling en evaluatie van werk. Wat de sector kenmerkt is dat vraag en aanbod zich bevinden in gefragmenteerde markten met veel informatie asymmetrie, werk is opgedeeld in kleine(re) opdrachten (‘gigs’), de verantwoordelijkheid die normaal bij een werkgever ligt naar de individuele werkende is verschoven en het platformbedrijf als ‘private regulator’ de voorwaarden en regels van het ‘spel’ bepaalt en handhaaft via technologie. De opkomst van platformen in sommige markten en regio’s heeft er ook voor gezorgd dat markten nog gefragmenteerder werden: door diensten als taxiritjes te subsidiëren werd markt ‘gekocht’ en concurrentie uitgeschakeld, waardoor individuele werkenden alleen via het platform nog werk konden vinden. Tegelijkertijd zorgt het freelancemodel dat platformen het zich kunnen permitteren een ‘oversupply’ van werkenden aan te houden, de kosten voor geen werk zijn immers voor de individuele werkende. Wat ook bijdraagt aan een groeiende concurrentie tussen individuele werkenden en uitdagingen in het organiseren van werkenden. 

Delivery rider in Kathmandu, Nepal (Martijn Arets)

In veel gevallen bestond het werk dat via platformen wordt gedaan al voor de opkomst van platformen: ook voor Uber, Bolt en InDrive waren er taxichauffeurs en voor DoorDash, Deliveroo en Gojek werden maaltijden door bezorgers op (motor)scooters en brommers bezorgd. Ook maakten schoonmakers huizen schoon en pasten oppassers op kinderen terwijl de ouders een avondje uit gingen. Platformbedrijven verlaagden via technologie de zoekkosten tussen vraag en aanbod, maken het voor beide zijden makkelijker om in de markt actief te zijn en hebben de mogelijkheid om een markt efficiënter te organiseren. Door de centrale positie van het platform liggen er ook kansen om wijzigingen voor een grote groep werkenden (en klanten) centraal door te voeren en zo de omstandigheden van een markt te beïnvloeden.

De grootste uitdagingen (en oplossingen)

De centrale positie die het platformbedrijf heeft in een gefragmenteerde markt is dus uniek. Waarbij de uitdaging ligt dat de belangen van alle deelnemers (vraag, aanbod en platformbedrijf) in een transactie niet altijd op een lijn liggen, terwijl er slechts één partij is die de regels en voorwaarden van het spel bepaald: het platformbedrijf. En hoe je met die verantwoordelijkheid om moet gaan, hoe je iedereen een gelijke(re) informatie- en beslissingspositie geeft en hoe je die positie kunt gebruiken om voor goede condities voor de werkende te zorgen is de centrale vraag in de discussie. Waarbij de focus ligt op inzicht over en invloed op automatische besluitvormingsprocessen, toegang tot data, een eerlijke (of: fatsoenlijke) betaling waarbij de risico’s niet alleen bij de werkende ligt en representatie.

Het gebrek aan inzicht over automatische besluitvormingsprocessen is in veel platformwerk sectoren een groot issue. Werkenden kunnen geen goed geïnformeerde beslissing nemen en ervaren druk van het niet weten van de ‘spel’regels voor toegang tot werk waar zij afhankelijk van zijn. Wat de impact op werkenden is wordt pakkend in de blog ‘From Recognition to Responsibility: Worker-Led Perspectives on Labor Standards for the Platform Economy’ beschreven: “Data workers shared how task allocation is unpredictable, with no visibility into how work is distributed or why opportunities suddenly disappear. Similarly, workers do not know how their performance is assessed, what metrics are used, or how those assessments affect future work opportunities. Such decisions are made with little clarity on how automated processes and human oversight interact. Compounding these opacities, workers have no right to access the data generated through their labor, nor any ability to control how that data is used.”

Gebrek aan toegang tot data draagt bij aan deze intransparantie en asymmetrie in macht tussen werkende en platformbedrijf. In het stuk ‘Kennis is macht, ook in de platformeconomie’ dat ik eerder schreef beschrijft voormalig Uber-chauffeur James Farrar hoe hij hier hinder van ondervond in een rechtszaak tegen het platform. Vervolgens bedacht hij een slimme manier om, als moderne vakbond, toch data te krijgen ter ondersteuning van zijn zaak. Mijn eigen project KlusCV laat zien dat het helemaal niet zo ingewikkeld is om data op verzoek van de werkende te delen, waarbij meer dan 100.000 platformwerkers toegang hebben gekregen tot hun ervaringsdata en ruim 32.000 keer data is opgevraagd door werkenden. Mijn les daaruit is: als je iets wél wilt maak je het eenvoudig, als je iets niet wilt, maak je het complex. Daarom pleit ik er ook om kritischer te zijn waarom systemen en processen complex worden gemaakt. Wie profiteert hiervan? Is dit om de dienst te verbeteren, of om de macht- en informatiepositie te veranderen. In het geval van het steeds complexer worden van manieren om prijzen voor arbeid te berekenen bij on-demand werkplatformen denk ik dat hier echt het laatste het geval is. Dwingen tot vereenvoudigen is hierbij ook een oplossing.

Vergoeding en classificatie van de werkende veelvoorkomende onderwerpen in discussies. Omdat platformwerkers door de meeste platformbedrijven als zelfstandig ondernemer worden geclassificeerd, liggen de kosten en risico’s die normaal bij een werkgever liggen nu bij de individuele werkende. Het is in platform sectoren als bezorging en datawerk algemeen bekend dat werkenden vaak (ver) onder het minimumloon verdienen. Een oplossing hiervoor, en ook voor andere punten, is het in dienst nemen van de werkende. En hoewel dit ook de nodige impact heeft op een markt, is het onderwerp schijnzelfstandigheid een belangrijk onderwerp op de agenda in Genève. Waarbij ik het belangrijk vind te vermelden dat dit in veel landen in de wereld niet altijd bijdraagt aan een betere positie van de werkende en dat in enkele zaken waar het platform de verschuiving van freelance naar werknemer maakte dit vaak werd georganiseerd via subcontractors die ook een stuk van de taart willen hebben. Los van de contractvorm is het belangrijk dat de werkende fatsoenlijk wordt betaald en onbetaalde arbeid zoveel als mogelijk wordt voorkomen. Dit is dan ook de gedachte van het Leefbaar Tarief waar ik vanuit de WageIndicator Foundation aan werk, waarbij de kosten en risico’s die op de schouders van de individuele werkende worden geschoven worden meegenomen in het tarief.

Tot slot representatie. Als er iets is dat de ILC in Genève laat zien is dat organisaties die werkenden vertegenwoordigen elkaar steeds beter weten te vinden. Op individueel niveau worden successen geboekt, zoals het afsluiten van cao’s met platformbedrijven en het neerzetten van een afdwingbaar minimum tarief of minimale standaarden. Nu is het tijd om ook collectief successen te boeken. Hierbij valt het mij op dat er ontzettend veel informatie asymmetrie is in het landschap van vertegenwoordiging van werkenden. Niet alleen is het niet altijd duidelijk wie welke werkenden vertegenwoordigen, maar ook afspraken die worden gemaakt zijn ook niet of slecht vindbaar. Zo zijn cao’s in de meeste landen in de wereld niet openbaar. En hoewel achterliggende motivaties prima te begrijpen zijn, is dit echt een gemiste kans. Platformbedrijven profiteren ook van deze informatie asymmetrie die op deze manier wordt gecreëerd. Daarom is het voor organisaties die werkenden vertegenwoordigen essentieel om het grotere plaatje te zien en ook in te zetten op schaalvoordelen en in standaard alles zo veel als mogelijk openbaar te maken. WageIndicator heeft vele honderden cao’s wereldwijd geanalyseerd in een database, maar eigenlijk is dat van de zotte. Standaardisatie en transparantie aan de kant van vertegenwoordigers is naar mijn mening een zwaar onderbelicht onderwerp in deze discussie.

Tot slot

De discussie in Genève gaat niet ‘alleen’ de platformeconomie, maar over de spelregels rondom de impact van technologie op arbeid. Dan kun je zeggen: ‘daar maak ik mij niet zo’n zorgen over’, maar weet dat, zeker met de opkomst van AI, technologie (en dan vooral de keuzes die we hieromheen maken) een groeiende invloed heeft op de positie en voorwaarden van alle werkenden. Ook voor jou. En dit zomaar kan betekenen dat jouw baan en positie zomaar opeens wel precair wordt. Een extra motivatie om dit debat over de keuzes die we moeten maken rondom de toenemende rol van technologie op de wereldwijde arbeidsmarkt serieus te nemen. 

Wat kunnen we verwachten in en na de ILC? Ten eerste: het is een overwinning voor iedereen dat dit onderwerp op de agenda staat. Het is belangrijk om te beseffen dat deze bijeenkomst geen eindpunt is, maar een geweldige kans voor het zetten van een agenda en het starten van (hernieuwde) samenwerkingen. Het verbeteren van voorwaarden voor werkenden is een continu en gradueel proces. En wat er uitkomt? De uitkomst van de onderhandeling moet door zowel vertegenwoordigers van werkenden, werkgevers en overheden worden gedragen. Dat zijn veel tegenstrijdige belangen die elkaar moeten ontmoeten. Dat kan ervoor zorgen dat er een heel zwakke conventie op tafel komt. Of helemaal géén conventie. De tijd zal het ons leren.